RICHTLIJNEN VOOR HET GEBRUIK VAN ADELLIJKE TITELS EN PREDIKATEN
Als hoofdregel geldt nog altijd het Besluit van de Soevereine Vorst van 13 februari 1815, nr. 60, lid 2, dat - samengevat - bepaalt, dat leden van de Nederlandse adel het predikaat jonkheer/jonkvrouw gebruiken, tenzij hen een titel is verleend. Deze regel is niet van toepassing op leden van het koninklijk huis en andere vorstenhuizen. De in Nederland voorkomende adellijke titels en predikaten zijn, van hoog tot laag:
Mannelijke vorm / Vrouwelijke vorm
prins / prinses
hertog / hertogin
markies / markiezin
graaf / gravin
burggraaf / burggravin
baron / barones
ridder / - *
Zijne Majesteit / Hare Majesteit
Zijne Koninklijke Hoogheid / Hare Koninklijke Hoogheid
Zijne Hoogheid / Hare Hoogheid
jonkheer / jonkvrouw
I. ALGEMEEN
1. Gebruik en plaatsing
Een ieder die tot de Nederlandse adel behoort, wordt aangeduid met het predikaat jonkheer of jonkvrouw, tenzij hij of zij recht heeft op een titel. Het predikaat gaat aan de voornaam vooraf, terwijl de titels tussen de voornaam en geslachtsnaam worden geplaatst. In uitzonderlijke gevallen staat een titel tussen twee delen van de samengestelde geslachtsnaam (bijv. Bosch ridder van Rosenthal).
2. Hoofdletters of kleine letters; afkortingen
Aangezien academische titels met een kleine letter geschreven worden, kan hetzelfde gelden voor adellijke titels en predikaten. Jonkheer en jonkvrouw kunnen worden afgekort tot ‘jhr.’ en ‘jkvr.’.
II. ADRESSERING
1. Algemeen
Het gebruik van de woorden ‘De heer’ en ‘Mevrouw’ naast een titel of predikaat is dubbelop en derhalve onjuist. Ook in ander verband dient dit vermeden te worden. Als de geadresseerde recht heeft op een predikaat, krijgt dit - als eerste woord van de adressering - een hoofdletter. Academische titels worden na het predikaat geplaatst, ambtstitels (professor, prof.) ervóór.
2. Kinderen
De zonen en dochters van een jonkheer zijn jonkheer resp. jonkvrouw. De zonen van een getitelde dragen dezelfde titel dan wel een lagere of het predikaat jonkheer (één en ander is afhankelijk van hetgeen bij de toekenning van de titel is bepaald; zie voor de afzonderlijke families Nederland’s Adelsboek). Voor dochters geldt hetzelfde, met dien verstande dat de dochter van een ridder altijd jonkvrouw is.
3. Ongehuwde vrouwen
Freules werden, indien zij een titel voeren, vroeger in het maatschappelijk verkeer (niet in officiële stukken) niet alleen met deze titel aangeduid, maar in strijd met het S.B. van 1815, tevens met het predikaat jonkvrouw voor de voornaam (bijv. jonkvrouw A. gravin van Limburg Stirum). Gescheiden jonkvrouwen, die hun eigen geslachtsnaam weer voeren, worden niet aangeduid met jonkvrouw, maar met mevrouw.
4. Gehuwde vrouwen
Door huwelijk verkrijgt men geen adeldom. De echtgenote van een graaf of baron wordt echter in het maatschappelijk verkeer (niet in officiële stukken) vaak wel als ‘gravin’ of ‘barones’ aangeduid (bijv. A. gravin van Limburg Stirum - Jansen). De echtgenote van een jonkheer of ridder is ‘mevrouw’ (bijv. Mevrouw Beelaerts van Blokland - Jansen). Is de gehuwde vrouw zelf van adel, dan gaan na eventuele titel en naam van haar echtgenoot haar eigen titels aan haar eigen geslachtsnaam vooraf (bijv. A. gravin van Limburg Stirum - barones Bentinck of A. Jansen - barones Bentinck). Gehuwde vrouwen van adel, die hun meisjesnaam blijven gebruiken, worden niet meer aangeduid met het predikaat (jonkvrouw), maar met ‘mevrouw’. Het vermelden van weduwen van adellijke personen als douairière, gevolgd door naam en titel/predikaat van de man, maar zonder de eigen naam (bijv. Douairière A. graaf van Limburg Stirum), raakt in onbruik. Voor deze groep kunnen dezelfde regels als voor gehuwde vrouwen worden aangehouden.
5. Echtparen
Indien de man van adel is, adresseert men achtereenvolgens met: titel/predikaat van de man, het vrouwelijk equivalent hiervan, de geslachtsnaam van de man en de geslachtsnaam van de vrouw; is zij eveneens van adel dan wordt haar naam voorafgegaan door haar eigen titel (bijv. Graaf en gravin van Limburg Stirum - barones Bentinck, of Jonkheer en mevrouw Beelaerts van Blokland - Jansen). Is de man niet van adel en de vrouw wel, dan adresseert men met bijv. De heer en mevrouw Jansen - gravin van Limburg Stirum.
6. Aanhef
Het Koninklijk Besluit van 25 juli 1825, Stb. 61 (de zogenaamde ‘Eerste Adelslijst’) is nog steeds van kracht. Hierin wordt de hiërarchie vermeld alsmede dat prinsen, hertogen, markiezen en (burg)graven ‘Hooggeboren’ zijn en baronnen, ridders en jonkheren ‘Hoogwelgeboren’ (voor vrouwen geldt mutatis mutandis hetzelfde). Aangezien ambtelijke, militaire en academische titulatuur van gelijke aard in de onderhavige richtlijnen niet meer voorkomen, kunnen deze aanduidingen bij de adel eventueel ook achterwege blijven. Wil men deze wél blijven gebruiken, dan dient in het oog te worden gehouden dat a) door het gebruik van ‘Hooggeboren’ en ‘Hoogwelgeboren’ alle andere titulatuur vervalt met uitzondering van Excellentie, b) de vrouw van ‘stand’ haar man volgt. Indien de man van adel is, wordt de keuze tussen ‘Hooggeboren’ of ‘Hoogwelgeboren’ bepaald door titel of predikaat van de man. Is hij niet van adel dan wordt deze titulatuur in ieder geval niet gebruikt. Men laat genoemde titulatuur volgen door de aanduidingen ‘Heer’ en ‘Vrouwe’ (bijv. Hooggeboren Heer A. graaf van Limburg Stirum, of Hoogwelgeboren Vrouwe A. barones Bentinck, of Hooggeboren Heer en Vrouwe Graaf en gravin van Limburg Stirum - barones Bentinck).
HRvA, nov. 2011
* De titel ridder heeft geen vrouwelijk equivalent; voor echtgenotes en dochters van ridders gelden dezelfde regels als voor jonkvrouwen.
Literatuur: G.H.A. Monod de Froideville en E.A.S. Crena de Iongh-den Beer Poortugael, Titels, graden; titulatuur. SDU Uitgevers, Den Haag 2005 (ISBN 90 12 10921 3).