Adeldom: Wet op de adeldom

Op 1 augustus 1994 is de Wet op de adeldom in werking getreden, na op 10 mei van dat jaar te zijn bekrachtigd (Staatsblad 1994, nr. 360). Aanleiding voor de wetgever om zich in het onderwerp te verdiepen was het feit dat in de Grondwet van 1983 het artikel betreffende de adeldom (“de Koning verleent adeldom”) was vervallen en additioneel artikel XXV was geworden. Een dergelijke additionele bepaling houdt staatsrechtelijk in dat de “gewone” wetgever (in tegenstelling tot de “grondwetgever”, die met een bijzondere procedure werkt) zich over het onderwerp dient te buigen. De minister verklaarde in de Memorie van toelichting: “Uitgangspunt is geweest, het beleid ten aanzien van adeldom en het vigerende adelsrecht te handhaven. De bestaande koninklijke besluiten, waarin het adelsrecht ligt opgesloten, blijven gehandhaafd. Er is van afgezien het adelsrecht als zodanig opnieuw te codificeren. Het adelsrecht moet naar mijn oordeel worden gezien als een historisch gegroeid instituut, dat alleen kan worden gehandhaafd als historisch instituut, maar dat zijn grondslag verliest als men zou trachten het naar eigentijdse denkbeelden te wijzigen of in te richten.”

Twee amendementen van de Tweede Kamer, die tot op zekere hoogte op dit uitgangspunt inbreuk maken (de artikelen 3 en 5), waren voor de regering echter van onvoldoende gewicht om het wetsvoorstel terug te nemen. Krachtens artikel 13 van de Wet lidmaatschap koninklijk huis van 30 mei 2002 (Stb. 275) werd artikel 2, tweede lid, van de Wet op de adeldom uitgebreid.

Artikel 1

Adeldom wordt verleend bij koninklijk besluit. De verlening kan uitsluitend geschieden aan Nederlanders.

Dat adeldom bij koninklijk besluit wordt verleend is een bevestiging van de sedert 1814 bestaande praktijk.
De mogelijkheid dat de Koning aan personen, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, adeldom kan geven is nu afgeschaft. Ook dit is in overeenstemming met de gevolgde gedragslijn, want alleen bij de verleningen aan de Duke of Wellington en de Earl of Clancarty van de titels prins van Waterloo resp. markies van Heusden (K.B.’s van 8 juli 1815, nrs. 13 en 14 ) is hiervan in het verleden afgeweken.
Overigens verliezen personen met een buitenlandse nationaliteit, die tot de Nederlandse adel behoren, hun adeldom niet.

Artikel 2

1. De verlening van adeldom geschiedt door verheffing, inlijving of erkenning.

2. Verheffing in de adel bij koninklijk besluit kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van leden van het koninklijk huis en van voormalige leden daarvan binnen drie maanden na verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis.
De verlening van de titels ‘Prins (Prinses) der Nederlanden’ en ‘ Prins (Prinses) van Oranje-Nassau’ wordt bij of krachtens de Wet lidmaatschap koninklijk huis bepaald.

3. Inlijving in de Nederlandse adel kan slechts plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en die het verzoek tot inlijving hebben gedaan
a. tezamen met het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap;
b. tezamen met het afleggen van de verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie;
c. tezamen met het bereiken van de meerderjarigheid bij de verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege indien de vader van de verzoeker het Nederlanderschap niet van rechtswege heeft verkregen.

4. Erkenning te behoren tot de Nederlandse adel kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van personen die behoren tot een geslacht dat vóór 1795 reeds tot de inheemse adel behoorde.

Ad 1. Dat verlening van adeldom door verheffing, inlijving of erkenning geschiedt, is de bestaande praktijk.

Ad 2. De laatste verheffing dateert van 1939; in 1953 heeft het kabinet bepaald dat verheffingen achterwege zouden blijven. Nu heeft deze praktijk dus een wettelijke basis gekregen.
Een uitzondering wordt gemaakt voor leden van het koninklijk huis. Hieronder dienen te worden verstaan die personen, die gerechtigd zijn tot de troonsopvolging conform de Wet lidmaatschap koninklijk huis van 30 mei 2002 (Stb. 275).

Ad 3. Inlijving wordt beperkt tot het moment van aanvraag van verkrijging van het Nederlanderschap dan wel het uitsluitend verwerven van het Nederlanderschap met uitsluiting van een andere nationaliteit (optie).
Als tweede voorwaarde wordt gesteld dat de voor inlijving in aanmerking komende persoon behoort tot de wettelijk erkende adel van een land met een vergelijkbaar adelsstatuut. Onder adelsstatuut verstaat men het geheel van regels, op grond waarvan adeldom verkregen wordt, vererft en verloren gaat.
De meeste monarchieën in Europa kennen een wettelijk erkende adel, maar niet altijd een vergelijkbaar adelsstatuut, bijv. het Verenigd Koninkrijk

Ad 4. De bepaling betreffende erkenning is een codificatie van de bestaande praktijk.

Artikel 3

Adeldom gaat ook volgens de bestaande regelingen met betrekking tot adeldom over op buiten het huwelijk geboren kinderen.

Het feit dat adeldom ook overgaat op buiten het huwelijk geboren kinderen is door de Tweede Kamer bij amendement aan het oorspronkelijke wetsontwerp toegevoegd.
Het betreft hier enerzijds door de (adellijke) vader erkende kinderen van een moeder, met wie hij niet getrouwd is. Het voormalige vereiste van wettige afstamming (dat wil zeggen: uit een huwelijk geboren of bij opvolgend huwelijk gewettigd) komt hiermee te vervallen. De Wet geeft niet aan voor welke buiten het huwelijk geboren kinderen dit artikel geldt. De minister heeft in de Eerste Kamer verklaard dat het in redelijkheid slechts betrekking kan hebben op na de in werking treding van de Wet geboren kinderen. Vóór 1 augustus 1994 geboren erkende kinderen zouden dus geen adeldom verwerven.
Anderzijds betreft het hier adoptiefkinderen, kinderen die door een vonnis van de Rechtbank in een familierechtelijke betrekking met de adoptiefouders zijn komen te staan, maar geen afstammeling van beide ouders zijn. De minister heeft zich niet uitgesproken op welke adoptiefkinderen het artikel betrekking heeft. De belangrijke data in het leven van een adoptiefkind zijn: de geboorte en de datum dat de rechter de adoptie uitspreekt. Niet eerder dan twee jaren en niet later dan vijf (vóór de wetswijziging van 1 okt. 1998: drie) jaren ná de dag waarop het adoptiefkind meerderjarig (achttien jaar, vóór 1 januari 1988: 21 jaar) is geworden, kan het de adoptie herroepen. Vóór de datum van vijf jaren nadat de geadopteerde meerderjarig is geworden, is de adoptie dus geen definitieve aangelegenheid. Een vóór die datum afgegeven verklaring van adeldom zou in een later stadium weer kunnen dienen te worden ingetrokken. Dit is in strijd met het karakter van adeldom.
Daarnaast is er nog een derde categorie kinderen, op wie artikel 3 van toepassing is. Deze betreft kinderen voor wie een gerechtelijke vaderschapsvaststelling heeft plaatsgevonden, maar die niet door de (adellijke) vader zijn erkend. Bij meerder-jarigheid kan een “van rechtswege erkend kind” voor de adellijke geslachtsnaam kiezen, waarbij dan tevens de adeldom overgaat (vgl. art. 1:5, lid 2 BW).
De Raad van State heeft op 5 januari 2005 in de zogenaamde Zeeuwse adoptiezaak in hoogste instantie uitspraak gedaan dat de Wet op de adeldom geen terugwerkende kracht heeft. De Raad overwoog dat dit alleen betrekking heeft op buiten het huwelijk geboren kinderen, die geboren zijn ná 1 augustus 1994 en dat geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen natuurlijke - en adoptiefkinderen.

Artikel 4

Bij de verlening van adeldom zijn taxa verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de taxa gesteld.

Het Koninklijk Besluit van 26 maart 1982, nr. 8 (Stb. 216), houdende verhoging van de taxa wegens verlening van adeldom wordt gehandhaafd en kan bij koninklijk besluit worden gewijzigd. Naar aanleiding van dit besluit is in het verleden discussie ontstaan of een dergelijke bepaling wel bij koninklijk besluit kon worden gewijzigd of dat dit – aangezien het belastingheffing betreft – bij wet diende te geschieden. Aan deze discussie is nu een einde gekomen.

Artikel 5

Adeldom wordt vermeld op officiële documenten waar dit vereist is, tenzij de betrokken persoon verzoekt de vermelding achterwege te laten of te verwijderen.

Dit artikel is ook door een amendement in de Wet gekomen. Het doelt op het opnemen van titels en predikaten op paspoorten, rijbewijzen, dagvaardingen, belastingbiljetten enz. Naar de minister in de Tweede Kamer mededeelde, betreft het hier bepalingen in een groot aantal verschillende regelingen. De minister raadde daarom aanneming van dit amendement af.

Artikel 6

1. Er is een Hoge Raad van Adel.

2. De Raad heeft tot taak Onze Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom.

3. De Raad is samengesteld uit vijf leden, die bij koninklijk besluit worden benoemd en ontslagen.

Door dit artikel heeft de Hoge Raad van Adel na 180 jaar een wettelijke basis gekregen. Lid 2 vermeldt alleen de verplichting van de minister de Raad te horen bij (individuele) verzoeken om verlening van adeldom en niet bij verandering van bestaande algemene regelingen. Verwacht mag echter worden dat de Raad conform de bestaande praktijk ook in dit laatste geval – afgezien van de taken van de Raad die niet in deze Wet vermeld worden – om advies gevraagd zal worden.

Artikel 7

1. De artikelen 2 en 3 van het Koninklijk Besluit van 12 mei 1886, nr. 48, vervallen.

2. De bestaande regelingen met betrekking tot adeldom en de Hoge Raad van Adel kunnen worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur.

Ad 1. In verband met het vorige artikel was er geen behoefte meer aan de artikelen 2 en 3 van het Koninklijk Besluit van 12 mei 1886 (lees: 1866), nr. 48.

Ad 2. Deze bepaling heeft betrekking op de discussie omtrent de status van de soevereine en koninklijke besluiten van vóór de in werking treding van de Grondwet van 1848, namelijk of het hier wettelijke bepalingen in formele zin betreft of algemene maatregelen van bestuur: in het eerste geval zouden deze alleen bij de wet kunnen worden gewijzigd, in het tweede bij algemene maatregel van bestuur. Het lid heeft de vraag nu in laatstgenoemde zin beantwoord.

Artikel 8

Inlijving in de Nederlandse adel kan plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en daartoe een verzoek om inlijving hebben gedaan binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Dit is een overgangsbepaling betreffende inlijving. Hier wordt dus indiening van het verzoek gedurende vijf jaar niet gekoppeld aan de tijdstippen, vermeld in artikel 2, lid 3 sub a, b en c. Wel dient men te behoren tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut (hetzelfde vereiste dat artikel 2 lid 3 stelt). De Hoge Raad van Adel had dit laatste vereiste niet voorgesteld (en ook niet bedoeld) bij de formulering van dit aan het oorspronkelijke wetsontwerp toegevoegde artikel. De werking van dit artikel beperkte zich dus tot herkomst uit de in het commentaar op dit artikel 2 lid 3 vermelde landen.

HRvA, versie nov. 2011