Wapens: Richtlijnen

RICHTLIJNEN BETREFFENDE HET VERLENEN VAN WAPENS AAN PUBLIEKRECHTELIJKE LICHAMEN

Koninklijk besluit van 23 april 1919, Staatsblad 181, tot intrekking van de Koninklijke besluiten van 20 februari 1816, no. 69, en 3 januari 1818, no. 91, en tot vaststelling van nieuwe bepalingen nopens het bekomen, wijziging, enz. van wapens voor provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen, zoals dit is aangevuld bij het Koninklijk besluit van 21 oktober 1977, Staatsblad 605.

Artikel 1. Alle provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen, welke een wapen wenschen te bekomen, in het gebruik daarvan te worden bevestigd of het te zien gewijzigd, zullen zich daartoe tot Ons hebben te wenden onder overlegging van eene beschrijving en van eene teekening in kleuren van het verlangde wapen en van eene uiteenzetting der overwegingen, op grond waarvan dat wapen wordt gewenscht. Eveneens zal in geval van vereeniging van gemeenten de nieuwe gemeente zich ter bekoming van een wapen of ter bevestiging van het wapen der vroegere gemeente, waaraan de nieuwe haar naam ontleent, op voornoemde wijze tot Ons moeten richten.

Artikel 2. Nieuw gevormde publiekrechtelijke lichamen, die de naam hebben ontvangen van een bij hun vorming opgeheven publiekrechtelijk lichaam, kunnen het wapen van dat publiekrechtelijk lichaam als hun wapen voeren.

Artikel 3. Alle bovenbedoelde lichamen en instellingen, welke een wapen hebben, zijn gehouden, wanneer zij van zegels of cachetten gebruik maken, dat te voeren met een randschrift vermeldende hun naam of de hoedanigheid van de gebruiker. Gemeenten, welke geen wapen hebben, zegelen met de woorden: “Gemeente …….”.

Artikel 4. Alle kosten zoo van vervaardiging als anderszins op het uit te reiken wapendiploma vallende, zijn ten laste van het verzoekende lichaam.


Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 oktober 1977, houdende richtlijnen betreffende het verlenen van wapens aan publiekrechtelijke lichamen overeenkomstig het bepaalde in het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, nr. 32, en het Koninklijk besluit van 23 april 1919, Staatsblad 181.

Bij het bevorderen van de verlening van wapens aan publiekrechtelijke lichamen wordt van de volgende richtlijnen uitgegaan:

1. Het aan een publiekrechtelijk lichaam te verlenen wapen moet voldoen aan de algemene en in het bijzonder in Nederland gebruikelijke regelen der heraldiek.

2. Het wapen moet zo eenvoudig mogelijk zijn. Een veelheid van wapenfiguren en een ingewikkelde schildverdeling dienen te worden vermeden.

3. De wapenfiguren moeten historisch en esthetisch verantwoord zijn. Eerder ter plaatse gebruikte wapenfiguren hebben in het wapen voorrang boven later gebruikte of nieuwe.

4. Aan elk wapen kan een kroon van drie bladeren en twee parels worden toegevoegd.

5. Een andere kroon wordt slechts verleend, indien deze reeds werd gevoerd bij een wapen dat opnieuw wordt verleend, of indien ter verkrijging daarvan bijzondere redenen aangevoerd kunnen worden.

6. Schildhouders worden aan een wapen alleen toegevoegd, indien deze reeds werden gevoerd bij een wapen dat opnieuw wordt verleend of indien ter verkrijging daarvan bijzondere historische omstandigheden aangevoerd kunnen worden.

7. Een wapenspreuk wordt aan een wapen alleen toegevoegd, indien deze reeds werd gevoerd bij een wapen dat opnieuw wordt verleend of indien ter verkrijging daarvan bijzondere historische omstandigheden aangevoerd kunnen worden.

8. Indien een nieuw gevormd publiekrechtelijk lichaam dat de naam heeft ontvangen van een bij zijn vorming opgeheven publiekrechtelijk lichaam, het wapen van dat publiekrechtelijk lichaam voert of voornemens is te voeren, kan dat wapen worden verbeterd, indien historische gegevens hiertoe aanleiding geven. In bijzondere gevallen kunnen ook elementen worden toegevoegd, afkomstig uit de wapens van de andere publiekrechtelijke lichamen.

9. Indien een nieuw gevormd publiekrechtelijk lichaam niet de naam heeft ontvangen van een bij zijn vorming opgeheven publiekrechtelijk lichaam, kan aan dit lichaam een wapen verleend worden waarin elementen zijn opgenomen, afkomstig uit de wapens van de opgeheven publiekrechtelijke lichamen, mits daardoor geen ingewikkeld wapen ontstaat. Nieuwe elementen worden aan een wapen alleen toegevoegd, indien ter verkrijging daarvan bijzondere historische omstandigheden aangevoerd kunnen worden. Desgewenst kan ook het wapen van een der opgeheven publiekrechtelijke lichamen worden verleend, zo nodig na verbetering aan de hand van historische gegevens.


HRvA, maart 2004