Inleiding tot het archief van de Hoge Raad van Adel

I. De Hoge Raad van Adel

Geschiedenis

Nog vóór de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 richtte de soevereine vorst bij Soeverein Besluit van 24 juni 1814, nummer 10, een 'Collegie van Heraldie' op, dat de titel zou dragen van Hoge Raad van Adel en hem in adelszaken van advies kon dienen. De Raad werd samengesteld uit bekende heraldici, genealogen en archivarissen: W.A. van Spaen la Lecq (president), M.L. d'Ivoy, A.C. Snouckaert van Schauburg, mr. R.J. Metelerkamp en mr. J. van der Lely van Oudewater (secretaris).

Nadat aan de Franse overheersing in 1813 een einde was gekomen, had het zogenaamde Driemanschap een voorlopige grondwet voor de Verenigde Nederlanden ontworpen, waarin de adel opnieuw een staatsrechtelijke rol was toebedeeld. In artikel 42 van de Grondwet, die in 1814 van kracht werd, kreeg de soevereine vorst uitdrukkelijk het recht tot het verheffen in de adelstand. Gedurende korte tijd werd adel ook gecreëerd door benoeming in de (op)nieuw opgerichte ridderschappen, maar sedert 1817 (in Limburg na 1842) nog uitsluitend door erkenning, inlijving of verheffing.

De term erkenning heeft betrekking op inheemse adel van vóór 1795, inlijving op oorspronkelijk buitenlandse adel, terwijl door verheffing geheel nieuwe adel ontstond. De staatsrechtelijke betekenis van de adel bestond hierin, dat de provinciale kiescolleges voor de (indirecte) verkiezing van leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal onder anderen uit de ridderschappen werden gerekruteerd.

Tezamen met de Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Kanselarij der Nederlandse Orden en de Nationale Ombudsman wordt de Hoge Raad van Adel nog altijd gerekend tot de Hoge Colleges van Staat. Deze kwalificatie heeft minder te maken met het aanzien in historisch opzicht – de Nationale Ombudsman is als instituut nog niet oud – dan wel met de onafhankelijke positie, die de colleges bekleden.

Noch hiërarchisch, noch financieel konden ze onder een ministerie worden gebracht, zodat ze vanaf het begin van de negentiende eeuw onder deze benaming een eigen hoofdstuk (II) van de rijksbegroting uitmaakten. Op dit hoofdstuk kwam aanvankelijk ook de Hoge Raad van Adel voor, maar dit betrof alleen de uitgaven. De inkomsten, bestaande uit taxa op de afgegeven diploma's, werden vanaf 1816 belegd in een inschrijving op het Grootboek van de Nationale Schuld ten name van 'De Hooge Raad van Adel, als administrerende een fonds ter dispositie van Zijne Majesteit', dat later bekend zou worden als het Adelsfonds.

Op aandrang van de Staten-Generaal werd de Raad ingaande 1820 van de rijksbegroting verwijderd, waarna hij in eigen onderhoud moest voorzien. Gezien het grote aantal in deze 'bloeitijd van de adelstand' verstrekte diploma's, bleek dit geen probleem te zijn. In de periode 1843-1852 werd de Raad weer onder hoofdstuk II geplaatst in een nieuwe afdeling tussen de Hoge Collegiën van Staat en het Kabinet des Konings en sedert 1845 werden de taxa en renten van het Adelsfonds onder de inkomsten van de Staat geboekt, hetgeen nog immer het geval is. Het Agentschap van het Ministerie van Financiën, dat de Grootboeken beheert, maakt de rente ieder half jaar over naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Bij de grondwetsherziening van 1848 werden onder invloed van staatslieden als Thorbecke belangrijke wijzigingen doorgevoerd in het Nederlandse staatsbestel, waaronder de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid. Was de Hoge Raad van Adel vóór die tijd adviseur van de koning, dan was hij dit vanaf dit jaar van de Kroon, bestaande uit de koning en de (verantwoordelijke) minister(s). De standenmaatschappij werd voorgoed afgeschaft, zodat in de Grondwet adelstand werd vervangen door adeldom. De Wet van 7 juli 1850 (Staatsblad 39), die de samenstelling en macht van Provinciale Staten regelde, bepaalde dat de leden voortaan gekozen zouden worden door alle kiesgerechtigden. Hoewel de adel nog als enig wettelijk voorrecht het mogen voeren van een predikaat of titel toekwam, behield de koning zijn, tot 1983 in de Grondwet vastgelegde, recht tot het verlenen van adeldom.

Deze belangrijke staatsrechtelijke veranderingen hadden ook ingrijpende wijzigingen tot gevolg met betrekking tot de Hoge Raad van Adel. Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 1850, nummer 55, werden de voorzitter en de leden, die tot die tijd een aanzienlijk traktement genoten, eervol ontslagen, waarna deze functies onbezoldigde ereambten zouden zijn. De in dienst zijnde ambtenaren werden per 31 december 1852 ontslagen, terwijl de secretarie bij het Departement van Binnenlandse Zaken werd ondergebracht. Tot referendaris, tevens (aanvankelijk waarnemend) secretaris, werd benoemd mr. W.J. baron d'Ablaing van Giessenburg, die vóór die tijd lid van de Raad was. Met ingang van het jaar 1860 werd de secretarie overgeplaatst naar het Departement van Justitie en omgevormd tot het Bureau Adel met een eigen archief en bibliotheek.

Nadat in 1937 het Departement van Algemene Zaken werd ingesteld, werd de adviestaak van de Hoge Raad van Adel via dit ministerie en niet meer onder de vlag van Justitie uitgeoefend. Dit betekende een gedeeltelijke terugkeer naar de zelfstandige positie die de Raad tot 1853 had, hoewel de vestigingsplaats van de secretarie tot het begin van de bezettingstijd dezelfde bleef. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bracht de Raad in zeer beperkte mate adviezen over overheidsheraldiek uit aan de secretaris-generaal van het Departement van Algemene Zaken en over adelszaken aan de secretaris-generaal van het Departement van Justitie. In 1941 werd zijn adviestaak aanzienlijk uitgebreid aangezien alle naamswijzigingen, ook die van niet-adellijke geslachtsnamen, door Justitie aan de Raad werden voorgelegd. Daarnaast kreeg de Raad in dat jaar de opdracht van de secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken om een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van in de bevolkingsregisters voorkomende samengestelde geslachtsnamen.

Aan de uitoefening van deze oorlogstaken kwam kort na de bevrijding een einde, waarna de Raad in gedeeltelijk nieuwe samenstelling in 1948 de oude taak weer actief opvatte in zijn kort voor de oorlog verkregen zelfstandige positie.

Toen in 1945 het Departement van Algemene Zaken (tijdelijk) werd opgeheven, werd de minister van Binnenlandse Zaken belast met adelszaken en overheidsheraldiek, zodat de Raad net als in de periode 1850-1860 voornamelijk hem adviseert. Deze situatie is tot heden gecontinueerd.

Huisvesting

In de beginjaren van zijn ontstaan vergaderde de Raad meerdere dagen per week om alle zaken die te regelen waren naar behoren af te kunnen doen. Hij kwam dan bijeen in het voormalige Logement van Rotterdam (Plein 4, Den Haag), waar thans het Ministerie van Defensie is gevestigd en waar toentertijd ook het oudste hoge college van staat, de Raad van State, zijn intrek had genomen. Daarna was de Hoge Raad van Adel gehuisvest op verschillende adressen: Lange Voorhout 8 (1817-1825), Fluwelen Burgwal 18 (1825-1828), Kneuterdijk 22 (1829-1831), Binnenhof (1831-1860) en de Nobelstraat (vóór 1883).

De huisvesting werd aanzienlijk verbeterd toen rijksbouwmeester C.H. Peters de opdracht kreeg een nieuw Departement van Justitie aan het Plein te bouwen. De Raad kreeg een grote vergaderkamer tot zijn beschikking, gelegen pal boven de zaal van de Ministerraad, die eveneens in het imposante gebouw werd gesitueerd.

In de notulen van de Raad lezen we dat in juli 1883 'het archief en de bibliotheek van den Adel' van het lokaal in de Nobelstraat werden overgebracht naar het nieuwe gebouw van het Departement van Justitie. Plein 2B werd eind vorige eeuw door het Ministerie van Justitie afgestoten en maakt thans onderdeel uit van de parlementsgebouwen. Het interieur, dat onlosmakelijk verbonden is met het exterieur, is grotendeels bewaard gebleven. De voormalige vergaderkamer van de Hoge Raad van Adel, die nog altijd overheerst wordt door een levensgrote kwartierstaat met de zestien kwartierwapens van koning Willem III, werd per 1 januari 1941 door het departement zelf in gebruik genomen. De Rijksgebouwendienst stelde toen een zestal kamers in het gebouw van het Kabinet der Koningin, waarvan de secretarie naar Londen was uitgeweken, beschikbaar. Dit duurde tot 10 september 1941, toen het gebouw (Korte Vijverberg 3) werd gevorderd door de Duitse militaire autoriteit.

Per 1 oktober 1941 kreeg de Raad een drietal vertrekken in het gebouw van de Eerste Kamer en een aangrenzend vertrek van de Raad van State ter beschikking (Binnenhof 21-23). Deze huisvesting werd na de oorlog gecontinueerd tot 1957.

Van 1957 tot 1982 was het adres (tezamen met het Koninklijk Penningkabinet) Zeestraat 71B en van 1982 tot 1997 (tezamen met de Kanselarij der Nederlandse Orden) Nassaulaan 18 (het voormalige adres van het Centraal Bureau voor Genealogie), steeds te 's-Gravenhage.

Vanaf 1 juli 1997 heeft de Raad zelfstandige huisvesting op het adres Nassaulaan 2B aldaar.

Taak en bevoegdheden

Nadat het artikel betreffende adeldom ('de Koning verleent adeldom') uit de Grondwet van 1983 was verdwenen (additioneel artikel XXV), heeft het nog tot 1994 geduurd voor de Wet op de adeldom (10 mei 1994, Staatsblad 360) van kracht werd. In artikel 6 wordt de samenstelling en bevoegdheid van de Hoge Raad van Adel geregeld. Volgens deze wet kan adeldom nog steeds bij koninklijk besluit op de hiervoor vermelde drie manieren worden verleend, maar zijn de mogelijkheden aanzienlijk beperkt. Erkenningen waren al onder de oude regeling zeldzaam geworden. Inlijvingen kunnen alleen nog verzocht worden, indien deze gelijktijdig met naturalisatie worden gedaan en uitsluitend wanneer men behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut. Een overgangsbepaling (artikel 8) gaf onder dezelfde voorwaarden ook Nederlanders nog vijf jaar de gelegenheid een verzoek tot inlijving in te dienen, vergezeld van bewijs van buitenlandse adeldom.

Verheffingen, die sedert 1939 (nobilitatie van jonkheer mr. J.F.Th. van Valkenburg) niet meer hadden plaatsgevonden en door de ministerraad in 1953 feitelijk waren afgeschaft, zijn thans beperkt tot leden van het koninklijk huis. Het overheidsbeleid is tegenwoordig gericht op beloning van persoonlijke verdiensten door middel van koninklijke onderscheidingen.

Tijdens de behandeling van de Wet op de adeldom in de Tweede Kamer werden nipt twee amendementen aangenomen, die door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken sterk waren ontraden omdat ze in hoge mate inbreuk maken op het historisch gegroeide instituut, dat het adelsrecht in de loop der tijd is geworden. Deze wijzigingen resulteerden onder andere in artikel 3, dat bepaalt dat adeldom ook volgens de bestaande regelingen overgaat op buiten het huwelijk geboren kinderen. Het betreft hier erkende en geadopteerde kinderen. Na de inwerkingtreding van de wet is voor de formele bewijsvoering van afstamming geen inschrijving van huwelijksakten in het filiatieregister van de Nederlandse adel meer noodzakelijk voor vaders van kinderen, die geboren zijn na 1 augustus 1994.

Staatsrechtelijk gezien wordt de Hoge Raad van Adel thans omschreven als een vast college van advies over de uitvoering in zaken van bestuur van het Rijk, en betreft dit voornamelijk adelszaken en overheidsheraldiek.

Naast de belangrijkste taak van de Hoge Raad van Adel, zoals deze is vastgelegd in artikel 6, lid 2 (advisering van de minister van Binnenlandse Zaken over verzoeken tot verlening van adeldom), is hij sedert de oprichting ondermeer belast met het bijhouden van een 'pertinent algemeen register van de Nederlandse adel', waarvan opname geldt als wettig bewijs van adeldom (artikels 16 en 21 van de instructie, ingevolge artikel 2 van het Soeverein Besluit van 24 juni 1814, nummer 10). Een dergelijk bewijs is noodzakelijk ten behoeve van wijziging van akten van de burgerlijke stand, bijvoorbeeld na de verlening van een titel-bij-eerstgeboorte aan de (opvolgende) rechthebbende.

Dit zogenaamde filiatieregister van de Nederlandse adel is de officiële centrale registratie van de adel van het Koninkrijk der Nederlanden van 1814 tot heden. Het wordt bijgehouden ten kantore van de Hoge Raad van Adel aan de hand van gewaarmerkte volledige afschriften van geboorte-, huwelijks- (echtscheidings-) en overlijdensakten van de burgerlijke stand, waar ook ter wereld gepasseerd. Deze afschriften dienen, laatstelijk ingevolge een circulaire van de minister van Justitie van 22 juni 1961, nummer 291/161, ambtshalve aan de Raad te worden toegestuurd, waarna inschrijving in het filiatieregister plaatsvindt. Op de website van de Raad is een complete alfabetische lijst van adellijke familienamen beschikbaar, van 1814 tot heden, met het jaar en de vorm van nobilitatie, alsmede de eventueel verleende titel en het eventuele jaar van uitsterven.

Hoewel door de Wet op de adeldom de adviestaak van de Raad op het gebied van adelszaken aanzienlijk is beperkt, vraagt een andere taak, die eveneens bij soeverein besluit werd opgelegd, een constante, hier en daar zelfs aangescherpte inzet. Deze taak doet nog steeds recht aan de oorspronkelijke wens van de vorst om een College van Heraldiek te vormen en heeft een nieuwe impuls gekregen door de in de vorige eeuw in gang gezette centralisatiegedachte, die samenvoeging van gemeenten en waterschappen tot gevolg heeft. Bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1816, nummer 69, dat de uitvoering regelde van het Soeverein Besluit van 24 december 1814, nummer 32, kreeg de Hoge Raad van Adel de opdracht de wapens te bevestigen van 'alle steden, heerlijkheden en corporatien', die daartoe een verzoek hadden ingediend. Hoewel aan het bezit van een heerlijkheid na 1848 geen overheidsgezag meer kon worden ontleend, werden ook na die tijd incidenteel heerlijkheidswapens bevestigd. Deze gang van zaken werd bevorderd door de ruime interpretatie van het begrip 'corporatien', waaronder niet alleen waterschappen werden gerekend, maar soms ook bepaalde categorieën privaatrechtelijke lichamen, zoals kerkelijke en educatieve instellingen. Bij Koninklijk Besluit van 23 april 1919, Staatsblad 181, (aangevuld bij Koninklijk Besluit van 21 oktober 1977, Staatsblad 605) kwam aan de onduidelijkheid in zoverre een einde, dat hierin uitsluitend over publiekrechtelijke lichamen werd gesproken. Hierin werd bepaald, dat 'alle provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen', die een wapen wensten te voeren, zich tot de koning dienden te wenden. Het Soeverein Besluit van 1814 werd bij die gelegenheid echter niet ingetrokken. Een belangrijke consequentie hiervan is dat in de tweede helft van de twintigste eeuw een opbloei van wapentoekenningen aan privaatrechtelijke lichamen plaatsvond. Hieronder zijn ook weer heerlijkheden, die echter alleen nog voor wapenbevestiging in aanmerking komen.

Bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 oktober 1977, nummer B76/3937, werden met verwijzing naar de besluiten van 1814 en 1919, globale richtlijnen vastgesteld betreffende het verlenen van wapens aan publiekrechtelijke lichamen, die als uitgangspunt dienen voor de Hoge Raad van Adel bij zijn adviestaak in dezen. Vanaf 1816 houdt de Raad een register bij van de sinds die tijd bevestigde, verleende en gecorrigeerde wapens. Naast de beschrijvingen, zoals deze in de koninklijke besluiten zijn opgenomen, worden hierin ook de wapens getekend, die op de uitgereikte diploma's zijn afgebeeld. Toegang tot dit register geeft de 'Index op de wapens der publiekrechtelijke lichamen', waarin ook de Zuidelijke Nederlanden (thans België) over de periode 1816-1830 zijn opgenomen, die eveneens via de website raadpleegbaar is.

Blijkens artikel 3, lid 1, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is de regeling van het wapen en de vlag van het Koninkrijk (casu quo de Koning) een aangelegenheid van het Koninkrijk. In de praktijk worden de wapens en vlaggen van de leden van het koninklijk huis bij Koninklijk Besluit vastgesteld. De voorbereiding vindt plaats in samenwerking met de Hoge Raad van Adel, alwaar de originele tekeningen blijven berusten. Het wapen, dat door het Koninkrijk der Nederlanden, zowel als door de koningen der Nederlanden, wordt gevoerd is (opnieuw) vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 23 april 1980, nummer 3 (Staatsblad 206). De kleuren van de Nederlandse vlag zijn vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 19 februari 1937, nummer 93. De koninklijke standaard is (opnieuw) vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 27 augustus 1908 (Staatsblad 291).

Aan de verlening van adeldom is een diploma (adelsbrief) verbonden, dat door de koning wordt uitgevaardigd en van zijn grootzegel is voorzien. Volgens de instructie van 1814 is de president van de Hoge Raad van Adel tevens grootzegelbewaarder, maar aangezien vorsten meerdere zegels (ruiter, troon- en portretzegels) gebruikten, berustten deze om praktische redenen onder de onderscheiden ministers. Toen koningin Wilhelmina haar ruiterzegel in 1898 verving door een troonzegel, bleef dit onder de minister van Justitie berusten. De zegelstempels van de opeenvolgende vorsten en vorstinnen vanaf koning Willem I tot en met koningin Juliana zijn door het Kabinet der Koningin en het Geld- en Bankmuseum in bewaring gegeven aan de Hoge Raad van Adel.

De uitvoerige tekst van het adelsdiploma met verleende en te handhaven rechten gaat vergezeld van een beschrijving en gekleurde tekening van het geregistreerde familiewapen. Binnen bepaalde tijd dienen door de genobiliteerde voor de vervaardiging taxa te worden betaald (het zogenaamde 'lichten' van het adelsdiploma), aangezien anders de adelsgunst zou vervallen. Van elk diploma wordt een gewaarmerkte kopie, voorzien van een originele wapentekening in kleur, bewaard in het archief van de Hoge Raad van Adel. Deze wapens worden bovendien ingetekend in het zogenaamde Wapenregister van de Nederlandse adel, dat ter secretarie wordt bewaard.

Bij Beschikking van de minister van Marine d.d. 15 juni 1949, nummer 175129, werd het scheepsembleem ingevoerd. Het moest een rond schild bevatten met daarop een afbeelding, die in verband staat met de naam (dan wel met de daden en/of verrichtingen) van de eenheid en van haar naamvoorganger(s) of naamgever (indien bekend het familiewapen). Ook voor de bekroning en omlijsting van het schild bestaan specifieke voorschriften, terwijl een devies mag worden toegevoegd, bij voorkeur in het Nederlands. Op 14 september 1949 heeft de minister de Hoge Raad van Adel verzocht hem te willen adviseren over de samenstelling van emblemen voor oorlogsschepen en diensten aan de wal.

Sinds die tijd is door de minister van Defensie regelmatig advies ingewonnen ten behoeve van emblemen van diensten van alle krijgsmachtonderdelen.

Vlaggen van publiekrechtelijke lichamen worden door de besturen van deze lichamen vastgesteld. Bij rondschrijven namens de minister van Binnenlandse Zaken, d.d. 30 april 1948 aan de colleges van Gedeputeerde Staten, werd verzocht advies in te winnen bij de Hoge Raad van Adel alvorens over te gaan tot het instellen van een provinciale vlag. Soortgelijke verzoeken werden tot de provincies gericht betreffende de vlaggen van gemeenten en waterschappen, op 29 juni 1957 en 12 april 1961.

De Hoge Raad van Adel houdt een vlaggenregister bij, waarin de beschrijving en de ingekleurde tekening van de vlag, alsmede een vermelding van het bestuursbesluit is opgenomen. Dit register werd aangelegd, nadat de colleges van Gedeputeerde Staten, naar aanleiding van een ministerieel schrijven van 16 juli 1970, gemeenten en waterschappen hadden verzocht hun vlaggendocumentatie aan de Raad ter beschikking te stellen. In 1981 kwam een in eigen beheer uitgegeven 'Systematische index op de vlaggen der publiekrechtelijke lichamen' tot stand. Doordat de laatste vijfendertig jaar vele kleine gemeenten zijn samengevoegd, hetgeen resulteerde in nieuwe gemeentewapens, zijn met advies van de Raad vaak bij dezelfde gelegenheid nieuwe gemeentevlaggen vastgesteld.

Sedert 1860, toen de secretarie van de Hoge Raad van Adel onder het Departement van Justitie kwam te vallen, adviseert de Raad over naamsveranderingen, waarbij namen van adellijke geslachten, heerlijkheden e.d. betrokken zijn. Deze taak bestaat nog steeds, al zijn de mogelijkheden daartoe ingeperkt sedert de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Volgens een algemene maatregel van bestuur van 6 oktober 1997 is geslachtsnaamwijziging niet mogelijk als de verzoeker van adel is en/of er een geslachtsnaam bij betrokken is van een adellijk geslacht dat bloeiende is.

Tenslotte adviseert de Raad de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over aangelegenheden de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, betreffende. Verzoeken om admissie tot de Souvereine Militaire Hospitaal Orde van Malta en tot de onderscheiden Ridderschappen worden rechtstreeks aan de Raad voorgelegd om geverifieerd te worden met het filiatieregister.

II. Geschiedenis van het archief

Het totale archief van de Hoge Raad van Adel over de periode 1814-1984 beslaat 113 strekkende meter. Hiervan berust ruim 100 meter in het gebouw van de Raad, Nassaulaan 2B te 's-Gravenhage, waarvoor de algemene rijksarchivaris namens de staatssecretaris van Cultuur steeds voor tien jaar machtiging verleent tot opschorting van de overbrengingstermijn naar het Nationaal Archief. Het archief van de secretarie, uit de tijd dat deze een afdeling was van achtereenvolgens de Departementen van Binnenlandse Zaken (1853-1859), Justitie (1860-1937) en Algemene Zaken (juli-oktober 1937), werd in de periode 1982-1984 door de Raad overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief (thans Nationaal Archief). De door H.A.J. van Schie vervaardigde (voorlopige) inventaris van deze ruim elf meter archief is als bijlage aan deze inventaris toegevoegd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de Raad een door het Departement van Binnenlandse Zaken gelast onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van het voeren van samengestelde geslachtsnamen. Een belangrijk deel van dit archief, dat teruggreep op negentiende-eeuwse bewijzen (de zogenaamde 'dubbele namen dossiers'), is van 1968 tot 2006 in bruikleen afgestaan aan het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag.

In 2003 vond, met toestemming van de staatssecretaris van Cultuur, de overdracht plaats door het Museum Meermanno-Westreenianum aan de Raad van het archief van W.H.J. baron van Westreenen van Tiellandt (1753-1848), die in zijn functie van thesaurier-chartermeester (1816-1831) een deel van het financieel archief onder zich had gehouden.

Het archief van de Raad was toegankelijk via een door G.P. Nijkamp vervaardigd 'Overzicht van het archief van de Hoge Raad van Adel ('s-Gravenhage 1990, typescript)', dat als basis voor deze inventarisatie heeft gediend.

De Raad beheert naast zijn ambtelijk archief een aantal familiearchieven, voornamelijk van adellijke geslachten, waarvan de belangrijkste reeds een gepubliceerde toegang kennen: Van der Dussen (1517 1905, 5 m.; inventaris 5), De Girard de Mielet van Coehoorn (1671-1904, 0,5 m.; inventaris 6), Van der Lely van Oudewater (circa 1600-1900, 5 m.; inventaris 3), Van Mathenesse (1251-1917, 5 m.; inventaris 4), Van Slingelandt (1438-1868, 18 m.; inventaris 8) en Van Spaen (1385-circa 1860, 6 m.; inventaris 1).

De inventarisatie van het restant, te weten een aantal kleinere gedeponeerde archieven, vond parallel met die van het Raadsarchief plaats en maakt het tweede deel uit van deze inventaris.

Daarnaast beheert de Raad belangrijke al of niet ingebonden manuscripten op historisch, genealogisch en heraldisch terrein, onder andere de collectie 'paars'. Hiertoe behoort ook het zogenaamde Oosten-rijks Archief met zeventiende- en achttiende-eeuwse stukken van de voormalige Chambre Héraldique te Brussel (3 m.). De collectie Van Spaen (16 m.) is door middel van een gedrukte inventaris toegan-kelijk en de inventaris van de collectie Van Slingelandt (1 m.) is recentelijk als bijlage van archief-inventaris 8 (2004) opgenomen. De collecties manuscriptgenealogieën d'Ablaing van Giessenburg (5 m.), Van der Dussen (3 m.), Van Haersolte van Yrst (1 m.), Van der Lely van Oudewater (7 m.) en Snouckaert van Schauburg (5 m.) worden hier pro memorie vermeld omdat deze hoofdzakelijk bestaan uit genummerde genealogiefragmenten, die via een kaartsysteem op familienaam toegankelijk zijn.

III. Wijze van archiefvorming

Verreweg het grootste deel van het archief bestaat uit de zogenaamde notulen, die als besluiten van de Raad met bijlagen in de vorige eeuw niet geheel terecht 'verbalen' werden genoemd. In 1814 werden besluiten en bijlagen nog apart gehouden. Vanaf 1815 werd elk besluit dat wil zeggen elke stap die in de behandeling van een bepaalde zaak werd gezet, op een afzonderlijk omslag gesteld en de bijlagen (ingekomen en concepten van uitgaande stukken) daaraan toegevoegd. Dit systeem heeft tot gevolg gehad dat het geheel der stukken die één zaak betreffen, bijna steeds uit meerdere omslagen met telkens de daarbijbehorende bijlagen bestaat. In de praktijk werden de bijlagen, behorende bij oudere omslagen, dikwijls 'meegenomen' naar latere omslagen. De omslagen werden per jaar doorlopend genummerd. Vanaf 1869 (onregelmatig vanaf 1866) werden alle tijdens één vergadering genomen besluiten op één omslag geschreven en ontstonden dus echte verbalen. De bijlagen vormen achter de serie verbalen een aparte serie met een eigen, dubbel nummer: een doorlopend volgnummer en daaronder het nummer van het verbaal waar ze bijhoren.

Vanaf 1893 (gedeeltelijk al vanaf 1892) werd het oude systeem van vóór 1869 weer toegepast. Vanaf september 1937 worden alle stukken betreffende één zaak in één omslag gevoegd en is er dus sprake van dossiers.

De correspondentie vormt een ander wezenlijk deel van het archief. Afschriften van uitgaande brieven van de Raad, waarvan de concepten zich in de notulen bevinden, zijn tot 1938 in brievenboeken terug te vinden. Vanaf die tijd worden de afschriften in de notulen gevoegd en wordt geen brievenboek meer bijgehouden. Het grootste deel van het correspondentiearchief betreft de ingekomen en minuten van uitgaande brieven van de secretaris. Het betreft hier overwegend correspondentie met instellingen en particulieren, die tot 1948 chronologisch is geordend, daarna dossiersgewijs per persoon of instelling.

IV. Selectie en openbaarheid van het archief

De openbaarheid van overheidsarchieven is in de Archiefwet (1995) geregeld en valt samen met de termijn (twintig jaar) van verplichte overbrenging naar een archiefbewaarplaats. Artikel 15 van de Archiefwet geeft een aantal mogelijkheden tot tijdelijke beperking van openbaarheid, onder andere met het oog op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Sinds 2000 dient de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen te worden, die in een aantal gevallen lange geheimhoudingstermijnen kent, bijvoorbeeld wanneer de rekwestrant nog in leven is. Het archief van de Hoge Raad van Adel geldt in dit opzicht als privacygevoelig omdat verzoeken tot verlening van adeldom in hoge mate de persoonlijke levenssfeer betreffen. Onder bepaalde voorwaarden kan door de secretaris toestemming worden verleend tot raadpleging, bijvoorbeeld ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Voor het filiatieregister van de Nederlandse adel gelden dezelfde termijnen van openbaarheid als die welke gelden voor akten van de burgerlijke stand als onderdeel van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA).

Aangezien het archief in het algemeen de neerslag vormt van handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang is afgezien van vernietiging van stukken. In de periode 2003 tot 2006 kwam de selectielijst voor de handelingen van de Hoge Raad van Adel op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945-2000 tot stand. Deze werd in 2006 niet bij ministerieel besluit, maar bij koninklijk besluit vastgesteld, omdat de Hoge Raad van Adel als Hoog College van Staat een onafhankelijke zorgdrager is ten opzichte van de verschillende ministeries.

Verantwoording

J.C. Kort en E.J. Wolleswinkel, Het archief van de Hoge Raad van Adel (1809) 1814-1984 en de gedeponeerde familiearchieven ('s-Gravenhage 2006) – 'Het archief van de Hoge Raad van Adel (1809) 1814-1984'.

Deze digitale toegang is in 2016 vervaardigd door de Hoge Raad van Adel. Eindredactie en laatste bewerking door Jos van den Borne, 15 mei 2016.